Books

Boekrecensie: Rijkdom van Ingrid Robeyns

By July 18, 2019 No Comments

Het lopen in de allerduurste merkkleding, iedere maand met je eigen vliegtuig op vakantie en je kind naar de meest exclusieve school sturen. Het zijn dingen alleen weggelegd voor de superrijken. Ze leven hun leven vrijwel altijd achter gesloten deuren en niemand bekommert zich om hen, want over hen hoeft men zich immers geen zorgen te maken. Nee, armoede is het probleem, niet rijkdom. Maar is het wel terecht dat armoede gezien wordt als het probleem en rijkdom als een non-issue? De twee filosofen Frank Meester en Coen Simon stelden Ingrid Robeyns, econoom en filosoof, de volgende vraag: ‘met Aristoteles’ Politica in je achterhoofd, hoeveel ongelijkheid denk je dat onze maatschappij eigenlijk nodig’ heeft?

Voordat Robeyns begint met het beantwoorden van deze vraag, legt ze op duidelijke wijze uit wat armoede en rijkdom eigenlijk zijn en hoe de maatschappij hiernaar kijkt. Door deze uitleg is het voor de lezer meteen duidelijk waar Robeyns het over heeft. Maar wat hebben Aristoteles en zijn Politica eigenlijk te maken met ongelijkheid? Aristoteles was, in de westerse wereld, een van de eersten die een uitgebreide analyse over de economie schreef en wordt hierom ook wel de vader van het economisch denken genoemd. Hij maakte een duidelijk onderscheid tussen middel en doel. Geld was volgens hem een middel en geen doel. Ook schreef Aristoteles tweeduizend jaar geleden al over mensen waarbij geld geen middel meer was, maar een doel op zich. Dit was volgens hem fout. Volgens zijn bekende deugdethiek moesten extremen vermeden worden en in Aristoteles’ oogpunt zou extreme rijkdom dan ook niet wenselijk zijn.

Met Aristoteles’ laatste punt in het achterhoofd, legt Robeyns de lezer vijf argumenten voor waarom extreme rijkdom in een maatschappij niet gewenst is. Ze begint met het beargumenteren dat een democratie in gevaar komt door de rijken. Geld geeft mensen macht, en deze macht kan worden omgezet in politieke macht. Dit betekent dat mensen met veel geld, meer te zeggen hebben dan de ‘gewone’ burger, iets dat ingaat tegen de democratische principes, waar iedereen een gelijke stem zou moeten hebben. Het argument wordt verder duidelijk uitgelegd en ondersteund met hedendaagse voorbeelden, waardoor de schrijfster overtuigt.

Het tweede argument dat Robeyns aanhaalt, gaat over de ecologische plichten die de rijken aan hun laars lappen. De meeste rijke mensen hebben grote huizen met verwarmde zwembaden en vliegtuigen die het klimaat belasten. Zij zouden dan ook eigenlijk moeten opdraaien voor deze extra uitstoot, zegt de schrijfster, maar dit doen ze niet. Ook dit argument legt Robeyns op duidelijke wijze uit met hedendaagse voorbeelden. Toch komt dit argument, in tegenstelling tot het eerste argument generaliserend op mij over. Zo vindt Robeyns dat alleen de rijken moeten compenseren voor hun grote mate van consumptie. Maar zou niet iedereen moeten compenseren voor hun consumptie? Ik vind het oneerlijk om de schuld te leggen bij een bepaalde groep mensen, terwijl we allemaal aan het klimaatprobleem meewerken. Dit geldt ook voor de volgende reeks argumenten die Robeyns aanhaalt om de lezer te overtuigen dat het hebben van steenrijke mensen niet gewenst is in een maatschappij. Zo gaat ze in op de oneerlijk verdeelde welvaart in de wereld en het zogenaamd ‘onverdiend vermogen’ van de rijken, waarmee ze suggereert dat vrijwel geen enkel rijk persoon zijn vermogen te danken heeft aan zichzelf. En, last but not least, zegt ze dat het zijn van extreem rijk voor de rijken zelf ook niet gewenst is. Want, zo meent Robeyns, drukke en rijke mensen worden ongevoelig voor de waarde van nietsdoen en activiteiten die niet draaien om materiële goederen en status. Ook deze argumenten vind ik wederom generaliserend.

Desondanks maakt het boek duidelijk waarom extreme rijkdom ongewenst is in een maatschappij. Door het gehele boek heen is het taalgebruik helder en bij ieder argument worden er hedendaagse voorbeelden aangehaald. Het boek leest daardoor makkelijk weg.

Het antwoord op de vraag hoeveel ongelijkheid een maatschappij nodig heeft blijkt simpel: een beetje ongelijkheid is gezond, extreme ongelijkheid is niet wenselijk. Zoals Aristoteles 2400 jaar geleden ook al zei: extremen moeten vermeden worden.

Dit boek is te verkrijgen voor €12,99 bij de boekhandel of online.

Het lopen in de allerduurste merkkleding, iedere maand met je eigen vliegtuig op vakantie en je kind naar de meest exclusieve school sturen. Het zijn dingen alleen weggelegd voor de superrijken. Ze leven hun leven vrijwel altijd achter gesloten deuren en niemand bekommert zich om hen, want over hen hoeft men zich immers geen zorgen te maken. Nee, armoede is het probleem, niet rijkdom. Maar is het wel terecht dat armoede gezien wordt als het probleem en rijkdom als een non-issue? De twee filosofen Frank Meester en Coen Simon stelden Ingrid Robeyns, econoom en filosoof, de volgende vraag: ‘met Aristoteles’ Politica in je achterhoofd, hoeveel ongelijkheid denk je dat onze maatschappij eigenlijk nodig’ heeft?

Voordat Robeyns begint met het beantwoorden van deze vraag, legt ze op duidelijke wijze uit wat armoede en rijkdom eigenlijk zijn en hoe de maatschappij hiernaar kijkt. Door deze uitleg is het voor de lezer meteen duidelijk waar Robeyns het over heeft. Maar wat hebben Aristoteles en zijn Politica eigenlijk te maken met ongelijkheid? Aristoteles was, in de westerse wereld, een van de eersten die een uitgebreide analyse over de economie schreef en wordt hierom ook wel de vader van het economisch denken genoemd. Hij maakte een duidelijk onderscheid tussen middel en doel. Geld was volgens hem een middel en geen doel. Ook schreef Aristoteles tweeduizend jaar geleden al over mensen waarbij geld geen middel meer was, maar een doel op zich. Dit was volgens hem fout. Volgens zijn bekende deugdethiek moesten extremen vermeden worden en in Aristoteles’ oogpunt zou extreme rijkdom dan ook niet wenselijk zijn.

Met Aristoteles’ laatste punt in het achterhoofd, legt Robeyns de lezer vijf argumenten voor waarom extreme rijkdom in een maatschappij niet gewenst is. Ze begint met het beargumenteren dat een democratie in gevaar komt door de rijken. Geld geeft mensen macht, en deze macht kan worden omgezet in politieke macht. Dit betekent dat mensen met veel geld, meer te zeggen hebben dan de ‘gewone’ burger, iets dat ingaat tegen de democratische principes, waar iedereen een gelijke stem zou moeten hebben. Het argument wordt verder duidelijk uitgelegd en ondersteund met hedendaagse voorbeelden, waardoor de schrijfster overtuigt.

Het tweede argument dat Robeyns aanhaalt, gaat over de ecologische plichten die de rijken aan hun laars lappen. De meeste rijke mensen hebben grote huizen met verwarmde zwembaden en vliegtuigen die het klimaat belasten. Zij zouden dan ook eigenlijk moeten opdraaien voor deze extra uitstoot, zegt de schrijfster, maar dit doen ze niet. Ook dit argument legt Robeyns op duidelijke wijze uit met hedendaagse voorbeelden. Toch komt dit argument, in tegenstelling tot het eerste argument generaliserend op mij over. Zo vindt Robeyns dat alleen de rijken moeten compenseren voor hun grote mate van consumptie. Maar zou niet iedereen moeten compenseren voor hun consumptie? Ik vind het oneerlijk om de schuld te leggen bij een bepaalde groep mensen, terwijl we allemaal aan het klimaatprobleem meewerken. Dit geldt ook voor de volgende reeks argumenten die Robeyns aanhaalt om de lezer te overtuigen dat het hebben van steenrijke mensen niet gewenst is in een maatschappij. Zo gaat ze in op de oneerlijk verdeelde welvaart in de wereld en het zogenaamd ‘onverdiend vermogen’ van de rijken, waarmee ze suggereert dat vrijwel geen enkel rijk persoon zijn vermogen te danken heeft aan zichzelf. En, last but not least, zegt ze dat het zijn van extreem rijk voor de rijken zelf ook niet gewenst is. Want, zo meent Robeyns, drukke en rijke mensen worden ongevoelig voor de waarde van nietsdoen en activiteiten die niet draaien om materiële goederen en status. Ook deze argumenten vind ik wederom generaliserend.

Desondanks maakt het boek duidelijk waarom extreme rijkdom ongewenst is in een maatschappij. Door het gehele boek heen is het taalgebruik helder en bij ieder argument worden er hedendaagse voorbeelden aangehaald. Het boek leest daardoor makkelijk weg.

Het antwoord op de vraag hoeveel ongelijkheid een maatschappij nodig heeft blijkt simpel: een beetje ongelijkheid is gezond, extreme ongelijkheid is niet wenselijk. Zoals Aristoteles 2400 jaar geleden ook al zei: extremen moeten vermeden worden.

Dit boek is te verkrijgen voor €12,99 bij de boekhandel of online.

Dewi Jager

Author Dewi Jager

More posts by Dewi Jager